ECLI:NL:PHR:2002:AE8455
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid en overgangsrecht van de IPR-wet Zeerecht op verhaal op schip bij charterhuurvordering
Deze zaak betreft de vraag welk recht van toepassing is op de verhaalbaarheid van een charterhuurvordering op een schip dat onder buitenlandse vlag vaart en vóór de inwerkingtreding van de IPR-wet Zeerecht in 1993 beslag is gelegd. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 3 van Pro de IPR-wet Zeerecht een cumulatiestelsel hanteert, waarbij verhaal op het schip slechts mogelijk is indien zowel het recht van teboekstelling als het recht dat de vordering beheerst verhaalbaarheid toestaan.
De feiten betreffen een conservatoir beslag gelegd in 1990 door United Towing op het schip 'Micoperi 7000', dat onder Italiaanse vlag vaart en in Italië is teboekgesteld. De vordering vloeit voort uit door Engels recht beheerde overeenkomsten. De Rechtbank oordeelde dat de IPR-wet Zeerecht onmiddellijke werking heeft, maar dat vanwege rechtszekerheid eerbiedigende werking moet gelden voor reeds bestaande rechten. Het Hof te 's-Gravenhage stelde dat de IPR-wet Zeerecht geen verwijzingsregel bevat voor de toepasselijkheid op verhaalbaarheid en dat Nederlands recht van toepassing is.
De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het Hof te Amsterdam, dat oordeelde dat het Italiaanse recht geen verhaalrecht toekent, maar dat de IPR-wet Zeerecht eerbiedigende werking heeft en United Towing vóór de wet een verhaalsrecht had volgens het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht. Micoperi Offshore stelde hiertegen cassatie in, maar de Hoge Raad verwierp de klachten en bevestigde dat overgangsrechtelijke principes verhinderen dat reeds verkregen rechten door nieuwe wetgeving worden aangetast.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de IPR-wet Zeerecht eerbiedigende werking heeft en dat United Towing een verhaalsrecht op het schip heeft volgens het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht.