ECLI:NL:PHR:2002:AE8473
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt termijn voor ontkenning vaderschap ter bescherming belang kind en rechtszekerheid
De vader, gehuwd met de moeder, verzocht de rechtbank om ontkenning van zijn vaderschap van twee kinderen geboren tijdens het huwelijk. De rechtbank verklaarde het verzoek voor het oudste kind niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke termijn. Het hof bevestigde deze beslissing en wees het beroep van de vader af. De moeder stemde in met het verzoek voor het jongste kind.
De vader voerde aan dat de termijn voor ontkenning een onrechtmatige inmenging in het familie- en privéleven vormde, strijdig met artikel 8 EVRM Pro en bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De Hoge Raad overwoog dat het stellen van termijnen gerechtvaardigd is ter waarborging van rechtszekerheid en bescherming van het belang van het kind, conform jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat er geen biologische vader is die het kind wil erkennen, waardoor het belang van het kind prevaleert bij het in stand laten van de juridische vaderschapsband. Het beroep werd verworpen omdat de wettelijke regeling proportioneel is en het belang van het kind voorop staat, conform de relevante internationale verdragen en jurisprudentie.
Uitkomst: Het beroep van de vader wordt verworpen wegens overschrijding van de termijn en het belang van het kind prevaleert.