ECLI:NL:PHR:2002:AE8828
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt volledige schadeloosstelling bij onteigening bedrijfsruimte met huur voor onbepaalde tijd
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de schadeloosstelling aan [verweerster] wegens de onteigening van een bedrijfsruimte aan een adres te 's-Gravenhage. De Rechtbank had de onteigening uitgesproken en de schadeloosstelling vastgesteld op ƒ 80.863 (€ 36.694,03). De gemeente stelde cassatieberoep in tegen de toegewezen schadeloosstelling, met name over de gehanteerde kapitalisatiefactor voor de huur van vervangende bedrijfsruimte en de rentevergoeding.
De Hoge Raad oordeelde dat de bedrijfsruimte kwalificeert als bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW, omdat het een voor het publiek toegankelijke ruimte betreft waar een afhaal- en besteldienst wordt uitgeoefend. De huurovereenkomst was aanvankelijk voor één jaar, maar door de duur en wettelijke bepalingen was deze inmiddels omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd, waardoor de volledige huurbescherming geldt. De rechtbank mocht daarom een kapitalisatiefactor van 7 hanteren, zoals gebruikelijk bij bedrijfsruimtehuur van vijf jaar of langer.
Daarnaast werd geoordeeld dat de rechtbank terecht rente toekende over het verschil tussen de schadeloosstelling en het voorschot, omdat het voordeel van voortgezet gebruik reeds was verrekend. De rechtbank had zich voldoende gemotiveerd op het deskundigenrapport. Het cassatieberoep werd verworpen.
Deze uitspraak bevestigt de toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent huur van bedrijfsruimte bij onteigening en de wijze van schadeloosstelling, inclusief de kapitalisatiefactor en rentevergoeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente wordt verworpen en de schadeloosstelling van ƒ 80.863 (€ 36.694,03) blijft in stand.