ECLI:NL:PHR:2002:AE9034

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02460/01 H
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 1 Besluit Buitengewone RechtsplegingArt. 40 Besluit Buitengewone RechtsplegingArt. 41 Besluit Buitengewone RechtsplegingArt. 42a Besluit Buitengewone Rechtspleging
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuw feit in oorlogsmisdrijfzaak

De aanvraag tot herziening betreft een veroordeling uit 1949 van de echtgenoot van verzoekster wegens oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog. De aanvraag is ingediend door de echtgenote, die stelt dat haar echtgenoot slechts bevelen van zijn meerderen uitvoerde en geen eigenmachtig handelen vertoonde.

De aanvraag wordt getoetst aan de wettelijke mogelijkheid tot herziening van uitspraken van het Bijzonder Gerechtshof en de Bijzondere Raad van Cassatie. De Hoge Raad bevestigt dat herziening mogelijk is onder de geldende bepalingen, maar dat daarvoor nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden aangevoerd die het vermoeden van onschuld rechtvaardigen.

De aangevoerde verklaring van een divisiecommandant en de stelling dat de veroordeelde handelde onder dwang worden door het hof en de Bijzondere Raad van Cassatie reeds meegewogen. Het hof oordeelde dat de veroordeelde wist dat de bevelen onrechtmatig waren en dat hij geen dwang ondervond. De Hoge Raad concludeert dat de aanvraag geen nieuw feit bevat dat tot vrijspraak zou kunnen leiden en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot vrijspraak zouden leiden.

Conclusie

Mr Machielse
Nr. 02460/01 H
Zitting 25 juni 2002
Conclusie inzake:
[Veroordeelde]
1. Aanvraagster vraagt herziening van een uitspraak van het Bijzonder Gerechtshof te 's-Gravenhage, Vijfde Kamer, zittinghoudende te Rotterdam, van 14 februari 1949 waarbij haar reeds overleden echtgenoot [veroordeelde] is veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf wegens "Gedurende de tijd van de huidige oorlog voor 15 mei 1945 in krijgsdienst bij de vijand zich schuldig maken aan enig oorlogsmisdrijf en enig misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 6 onder Pro (b) en (c) van het Handvest, behorende bij de Overeenkomst van Londen van 8 augustus 1945, bekend gemaakt bij Koninklijk Besluit van 4 januari 1946 (Stbl. G5), meermalen gepleegd". De Bijzondere Raad van Cassatie heeft op 13 juli 1949 het tegen deze veroordeling ingestelde beroep verworpen.
2. De herzieningsaanvrage is door verzoekster, in haar opdracht getekend door [betrokkene 4], ingediend.
3. De eerste vraag die zich bij deze aanvrage voordoet is of herziening van een uitspraak van het Bijzonder Gerechtshof volgens de wet openstaat.
4. In art. 1 van Pro het Besluit Buitengewone Rechtspleging is de mogelijkheid van herziening van de uitspraken van de Bijzondere Gerechtshoven en van de Bijzondere Raad van Cassatie vastgelegd. In de artt. 40 tot en met 42a wordt de mogelijkheid tot herziening nader geregeld.
5. In de Wet overgang bijzondere rechtspleging (Wet van 13 mei 1948, Stb. I 186) wordt in art. 14 lid 1 bepaald Pro dat de rechtsmacht van de Bijzondere Raad van Cassatie, na de opheffing van deze Raad, overgaat op de Hoge Raad der Nederlanden. Art. 14 lid 2 bepaalt Pro dat onder meer de artt. 40 en 41 van het Besluit Buitengewone Rechtspleging van overeenkomstige toepassing zijn.
6. Uit het bovenstaande volgt dat herziening van een uitspraak van een Bijzonder Gerechtshof mogelijk is.
7. De aanvrage in deze zaak steunt op de stelling dat de echtgenoot van verzoekster niet eigenmachtig heeft gehandeld inzake de executies die aan zijn veroordeling ten grondslag lagen, doch dat hij heeft gehandeld volgens de aanwijzingen die hij kreeg van zijn meerderen. Voorts wordt aangevoerd dat hij in dezen geen keus had, hij kon zich niet onttrekken aan de uitvoering van de bevelen.
8. Deze stelling wordt gestaafd door overlegging van een verklaring van [betrokkene 1] ten tijde van de executies divisiecommandant en de meerdere van de echtgenoot van verzoekster, van 28 juni 1952, inhoudende dat de echtgenoot van verzoekster slechts een hem gegeven bevel heeft uitgevoerd.
9. Uit de uitspraak van het Bijzonder Gerechtshof blijkt echter (p. 13/14) dat de echtgenoot van verzoekster verklaard heeft dat hij voor iedere executie zijn divisiecommandant gevraagd heeft of hij een vuurpeloton moest stellen en dat de divisiecommandant hem dat telkens heeft opgedragen. Voorts heeft het Hof in antwoord op het beroep op ambtelijk bevel overwogen -kort en zakelijk weergegeven- dat (p. 23 t/m 25) de echtgenoot van verzoekster moet hebben geweten, gelet op zijn rang en ontwikkeling, dat de bevelen onrechtmatig waren nu zij ertoe zouden leiden dat mensen zonder enigerlei vorm van proces zouden worden doodgeschoten; dat hij voorts een eventuele opdracht van zijn meerdere aan hem om een vuurpeloton samen te stellen als het ware heeft uitgelokt door de wijze waarop hij de zaken aan zijn commandant heeft voorgelegd; dat het initiatief van hem is uitgegaan en dat niet is gebleken van enige dwang terzake de uitvoering van de bevelen die op hem zou zijn uitgeoefend. De Bijzondere Raad van Cassatie heeft over het vijfde middel, dat de verwerping van het beroep op ambtelijk bevel betrof, overwogen dat [veroordeelde] blijkens zijn uiteenzetting in feite niet anders heeft gedaan dan zijn commandant de geodkeuring vragen om de bevelen, die hij voornemens was te geven, te mogen geven.
10. In het licht van het onder 9 weergegevene levert hetgeen in de aanvrage met bijlagen wordt aangevoerd niet de in art. 457, eerste lid ten tweede, Sv vereiste nieuwe feiten of omstandigheden, die het ernstig vermoeden doen ontstaan dat de rechter, indien hij hiermee bekend was geweest, de echtgenoot van verzoekster zou hebben vrijgesproken. Het veroordelende rechtscollege was immers bekend met hetgeen in de aanvrage wordt aangevoerd.
11. Nu er derhalve geen sprake is van een novum strekt deze conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvrage.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG