ECLI:NL:PHR:2002:AE9034
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuw feit in oorlogsmisdrijfzaak
De aanvraag tot herziening betreft een veroordeling uit 1949 van de echtgenoot van verzoekster wegens oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog. De aanvraag is ingediend door de echtgenote, die stelt dat haar echtgenoot slechts bevelen van zijn meerderen uitvoerde en geen eigenmachtig handelen vertoonde.
De aanvraag wordt getoetst aan de wettelijke mogelijkheid tot herziening van uitspraken van het Bijzonder Gerechtshof en de Bijzondere Raad van Cassatie. De Hoge Raad bevestigt dat herziening mogelijk is onder de geldende bepalingen, maar dat daarvoor nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden aangevoerd die het vermoeden van onschuld rechtvaardigen.
De aangevoerde verklaring van een divisiecommandant en de stelling dat de veroordeelde handelde onder dwang worden door het hof en de Bijzondere Raad van Cassatie reeds meegewogen. Het hof oordeelde dat de veroordeelde wist dat de bevelen onrechtmatig waren en dat hij geen dwang ondervond. De Hoge Raad concludeert dat de aanvraag geen nieuw feit bevat dat tot vrijspraak zou kunnen leiden en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot vrijspraak zouden leiden.