ECLI:NL:PHR:2002:AE9641
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering opgeëiste persoon op grond van Duits vonnis en uitleg Europees uitleveringsverdrag
De zaak betreft de uitlevering van een opgeëiste persoon aan Duitsland ter uitvoering van een vonnis van het Landgericht Frankfurt am Main van 5 februari 1998, waarbij hij veroordeeld werd tot zeven jaar gevangenisstraf wegens gezamenlijke diefstal met geweld en ernstige mishandeling. De opgeëiste persoon verbleef deels in een ontwenningskliniek, waarvan hij zich in 2001 onttrok. Het Landgericht Limburg/Lahn besloot in mei 2002 bij verstek tot omzetting van de dwangverpleging in gevangenisstraf.
De raadsman voerde aan dat deze latere beslissing, genomen buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon en zonder zijn verdediging, de uitlevering ontoelaatbaar maakte op grond van het Nederlandse voorbehoud bij het Europees uitleveringsverdrag en artikel 3 van Pro het Tweede Aanvullend Protocol. De Hoge Raad oordeelde dat dit voorbehoud alleen ziet op het vonnis waarbij de straf is opgelegd en niet op latere omzettingsbeslissingen, die geen nieuwe straf opleggen maar een voortzetting van de vrijheidsbeneming onder een andere vorm.
Verder werd betoogd dat niet alle relevante Duitse wetsartikelen waren overgelegd. De Hoge Raad stelde dat het volstaat dat de overgelegde bepalingen de strafbaarstelling en strafbedreiging dekken, en dat het ontbreken van bepaalde artikelen niet tot afwijzing van het uitleveringsverzoek leidt. De Hoge Raad verwierp de middelen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland.