ECLI:NL:PHR:2002:AF0224
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking voorlopige machtiging Wet Bopz wegens schending hoor en wederhoor
Betrokkene, eerder vrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, werd op grond van een last tot inbewaringstelling geplaatst en werd een voorlopige machtiging verleend door de rechtbank Rotterdam. Tijdens de behandeling van het verzoek tot voorlopige machtiging was betrokkene niet aanwezig bij een verhoor van een arts, maar werd zijn raadsman wel gehoord. Bij een vervolgzitting was betrokkene wel aanwezig, maar vertoonde agressief gedrag jegens de behandelend psychiater, waarna hij werd verwijderd.
De Hoge Raad oordeelde dat het recht van betrokkene om gehoord te worden bij de behandeling van het verzoek tot voorlopige machtiging is geschonden, omdat de raadsman geen gelegenheid kreeg zich uit te spreken over het verzoek van de officier van justitie. Hoewel betrokkene niet aanwezig was bij de eerste zitting en de raadsman een verzoek tot aanhouding indiende, was er geen sprake van een geldige afstand van het recht op hoor en wederhoor.
De Hoge Raad bevestigde dat het gevaarscriterium op grond van de Wet Bopz was voldaan, gelet op de psychiatrische stoornis en het agressieve gedrag van betrokkene. Desondanks kon de beschikking niet in stand blijven vanwege de procesrechtelijke schending. De zaak werd vernietigd en verwezen naar de rechtbank Rotterdam voor een nieuwe behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voorlopige machtiging wegens schending van het recht op hoor en wederhoor en verwijst de zaak naar de rechtbank Rotterdam.