ECLI:NL:PHR:2002:ZC8107
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over risico van tenietgaan bij overdracht economische eigendom van grond
Deze zaak betreft de vraag of het risico van tenietgaan van grond kan blijven bij de verkoper van de economische eigendom, waardoor geen overdracht van economische eigendom in de zin van art. 2, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR) plaatsvindt. De Hoge Raad behandelt twee cassatieberoepen van kinderen die grond onder voorbehoud van een levenslang gebruiksrecht van hun vader verkregen.
De notariële akte bevatte een clausule dat het risico van tenietgaan van de grond bij de verkoper bleef, ondanks dat de economische eigendom werd overgedragen. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting op, stellende dat de economische eigendom was verkregen door de kopers. Het hof oordeelde dat geen sprake was van een schijnhandeling en dat de risicoclausule functioneel was.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat grond wel degelijk teniet kan gaan door natuurrampen, milieuvervuiling of andere omstandigheden, en dat het risico van tenietgaan rechtens relevant is, ook al is het klein. Het ontbreken van overdracht van enig risico van tenietgaan betekent dat geen economische eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Fraus legis is niet van toepassing omdat de wetgever deze constructie heeft voorzien en niet heeft verboden.
De conclusie adviseert de beroepen ongegrond te verklaren en bevestigt dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd omdat het risico van tenietgaan bij de verkoper is gebleven. De zaak benadrukt de betekenis van het risico van tenietgaan als zelfstandig criterium voor economische eigendom en de grenzen van fraus legis in fiscale constructies.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting worden vernietigd omdat het risico van tenietgaan bij de verkoper is gebleven en geen economische eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden.