ECLI:NL:PHR:2003:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aanzegging en betekening van rechtsdag in cassatie bij verblijf verdachte in het buitenland
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de wijze waarop de mededeling van de rechtsdag in cassatie aan een verdachte moet plaatsvinden wanneer deze in het buitenland verblijft. De verdachte was veroordeeld door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en verbleef sinds november 2002 in Turkije. De mededeling van de rechtsdag in cassatie werd per gewone post naar het Turkse adres van de verdachte verzonden.
De Hoge Raad onderzoekt of deze wijze van mededeling verenigbaar is met het Europees Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ERV), met name artikel 7. Dit artikel regelt de betekening van dagvaardingen en andere gerechtelijke stukken tussen staten. De tekst en context van artikel 7 ERV Pro en het Turkse voorbehoud worden uitvoerig besproken.
De conclusie is dat de mededeling van de rechtsdag in cassatie niet gelijkgesteld kan worden aan een dagvaarding of oproeping tot verschijnen, maar slechts een verwittiging betreft. Voor de aanzegging van de termijn voor het indienen van cassatiemiddelen, die cruciaal is voor de positie van de verdachte, dient echter wel de voorgeschreven procedure via rechtshulpverzoek te worden gevolgd. Dit om te waarborgen dat de verdachte tijdig en op correcte wijze wordt geïnformeerd.
De Hoge Raad verzoekt daarom ambtshalve om alsnog een rechtshulpverzoek te doen aan de Turkse autoriteiten voor de uitreiking van de aanzegging conform artikel 435 lid 1 Sv Pro. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van het ERV en het belang van de verdachte in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat bij twijfel over de woonplaats van de verdachte in het buitenland de aanzegging van de rechtsdag in cassatie via een rechtshulpverzoek moet worden gedaan.