ECLI:NL:HR:2003:AO0068

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00761/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.E. Haak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 436 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rolbeslissing over aanzegging verdachte in het buitenland via rechtshulpverzoek

In deze rolbeslissing van 16 december 2003 oordeelt de Hoge Raad over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep van een verdachte die in Turkije woont. De verdachte had een aanzegging per post ontvangen op het door hem opgegeven adres in Turkije, maar er bestond twijfel of hij daar daadwerkelijk woonde.

De Hoge Raad stelt dat indien twijfel bestaat over de woonplaats van een verdachte in het buitenland, het openbaar ministerie via een rechtshulpverzoek aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten de aanzegging of dagvaarding moet laten uitreiken. Dit is in overeenstemming met artikel 588, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Omdat de verdachte verplicht is binnen twee maanden na aanzegging schriftelijk middelen van cassatie in te dienen, en dit niet kan zonder geldige aanzegging, wordt besloten dat de aanzegging opnieuw moet worden gedaan via een rechtshulpverzoek aan Turkije. Tevens vervalt de mededeling van de rechtsdag in deze procedure.

De Hoge Raad verzoekt de Procureur-Generaal dit rechtshulpverzoek te richten en voert de zaak van de rol in verband hiermee.

Uitkomst: De Hoge Raad verzoekt een rechtshulpverzoek voor aanzegging in Turkije en voert de zaak van de rol.

Uitspraak

16 december 2003
Strafkamer
nr. 00761/03
EW/SB
Hoge Raad der Nederlanden
Tweede Enkelvoudige Kamer
Rolbeslissing
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 april 2002, nummer 20/000429-01,in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats] (Turkije).
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
Op een op de dienende dag gedaan verzoek van de rolraadsheer heeft de Advocaat-Generaal Machielse op de rolzitting van 30 september 2003 een conclusie genomen, welke ertoe strekt dat de Hoge Raad de gelegenheid biedt alsnog de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging te doen uitreiken door middel van een rechtshulpverzoek aan de Turkse autoriteiten.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1. Aan de verdachte is de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging per post toegestuurd aan het eertijds door hem opgegeven adres in Turkije, zulks overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede lid, Sv
2.2. Onder meer ingeval het twijfelachtig is of een verdachte in het buitenland woont op het door hem opgegeven adres kan het openbaar ministerie "door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie" (art. 588, tweede lid, Sv), derhalve door middel van een rechtshulpverzoek, de uitreiking van een dagvaarding of aanzegging bewerkstelligen.
2.3. In aanmerking genomen dat op de verdachte de verplichting rust binnen een termijn van twee maanden na de uitreiking van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie te doen indienen, bij gebreke waarvan de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk is en dit beroep dus niet in behandeling kan worden genomen en voorts dat naar het oordeel van de rolraadsheer in het onderhavige geval niet met voldoende zekerheid vaststaat dat de verdachte in Turkije woont aan het door hem opgegeven adres, is er aanleiding te bepalen dat opnieuw een aanzegging als vorenbedoeld aan de verdachte wordt uitgereikt. Het komt aangewezen voor dat de Procureur-Generaal tot de Turkse autoriteiten een desbetreffend rechtshulpverzoek richt.
Het voorgaande brengt mee dat ook de mededeling van de rechtsdag als bedoeld in art. 436, tweede lid, Sv te dezen is vervallen.
3. Beslissing
De Tweede Enkelvoudige Kamer van de Hoge Raad:
Verzoekt de Procureur-Generaal de aanzegging van art. 435, eerste lid, Sv in deze zaak door middel van een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van Turkije aan de verdachte te doen uitreiken;
Voert de zaak in verband daarmee van de rol.
Deze rolbeslissing is gewezen door de president W.E. Haak in bijzijn van de griffier S.P. Bakker en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2003.