ECLI:NL:PHR:2003:AE9360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 6a lid 3 onderdeel c Wet OB 1968 inzake plaats van bemiddelingsdiensten
Belanghebbende, een ondernemer in de handel en bemiddeling van gebruikte pleziervaartuigen, werd door de Belastingdienst nageheven wegens niet voldane omzetbelasting over provisies uit bemiddelingsactiviteiten in de periode mei 1996 tot december 1997. De Inspecteur stelde dat de plaats van dienst Nederland was, terwijl belanghebbende betoogde dat de diensten niet in Nederland konden worden gelokaliseerd.
Het Hof 's-Gravenhage stelde belanghebbende in het gelijk voor bemiddeling bij verkoop van jachten gelegen in Frankrijk, op grond van artikel 6a lid 3 onderdeel c Wet OB 1968. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het middel dat deze bepaling alleen ziet op bemiddeling aan belastingplichtigen, niet aan particulieren.
De Hoge Raad onderzoekt de tekst, parlementaire geschiedenis en Europese richtlijnen (met name de Zesde richtlijn en artikel 28ter) en concludeert dat de bepaling niet beperkt is tot diensten aan belastingplichtigen. De economische realiteit als criterium uit eerdere arresten is niet doorslaggevend voor deze uitleg. Prejudiciële vragen aan het HvJ EU zijn niet nodig.
Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee de uitleg van artikel 6a lid 3 onderdeel c Wet OB 1968 als ook op bemiddeling aan niet-ondernemers wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitleg van artikel 6a lid 3 onderdeel c Wet OB 1968 bevestigd.