ECLI:NL:PHR:2003:AF0453
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens overtreding Leerplichtwet wegens onvoldoende motivering vrijstellingsgrond
Verdachte werd door de rechtbank veroordeeld wegens driemaal overtreden van de Leerplichtwet 1969 door haar minderjarige kinderen niet in te schrijven op een school, en kreeg een geldboete met een voorwaardelijke hechtenis opgelegd.
Verdachte stelde cassatieberoep in met negen middelen, waaronder het betwisten van de motivering van de rechtbank omtrent het beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 lid Pro b van de Leerplichtwet, dat vrijstelling verleent bij overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs.
De rechtbank had geoordeeld dat de bezwaren van verdachte niet gericht waren tegen de richting van het onderwijs, maar tegen de inrichting daarvan, en dat er voldoende scholen in de omgeving waren die voldeden aan de vrijheid van ontwikkeling. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte het gewicht van de bezwaren had beoordeeld, terwijl zij slechts had moeten vaststellen of de bezwaren de richting van het onderwijs betroffen.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank niet gemotiveerd had beslist op het beroep op afwezigheid van alle schuld en op het beroep op strijd met artikel 8 en Pro 9 EVRM. Ook was de toepassing van artikel 57 Sr Pro in plaats van artikel 62 Sr Pro onjuist.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.