ECLI:NL:PHR:2003:AF1011
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terbeschikkingstelling praktijkpand voor investeringsaftrek bij toetreding nieuwe maatschapleden
Belanghebbende en X-1 waren gezamenlijk eigenaar van een praktijkpand dat in 1993 werd aangeschaft en gebruikt voor hun advocatenpraktijk. In 1995 traden twee nieuwe vennoten toe tot de maatschap, die mede gebruik maakten van het pand, maar geen mede-eigenaren werden. De Inspecteur stelde een navorderingsaanslag vast met een desinvesteringsbijtelling, omdat hij meende dat het pand hoofdzakelijk ter beschikking werd gesteld aan derden.
Belanghebbende betwistte dit en stelde dat het pand niet hoofdzakelijk aan derden werd ter beschikking gesteld, omdat zijn aandeel in de winst van de maatschap nog steeds substantieel was. Het Hof volgde dit standpunt en oordeelde dat het pand voor minder dan 70% aan derden werd ter beschikking gesteld.
De Hoge Raad bevestigde dat de terbeschikkingstelling van het pand moet worden beoordeeld naar het aandeel in de winst van de maatschap, waarbij het pand niet hoofdzakelijk aan derden werd ter beschikking gesteld. Hierdoor is geen sprake van een desinvesteringsbijtelling en is het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard omdat het pand niet hoofdzakelijk ter beschikking is gesteld aan derden.