ECLI:NL:PHR:2003:AF1947
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrekbaarheid renteloze lening als gift in inkomstenbelasting
Belanghebbende verstrekte in 1997 een renteloze lening aan een stichting die kwalificeert als een instelling in de zin van artikel 47 Wet Pro IB 1964. Hij bracht het verschil tussen de contante waarde en de nominale waarde van de lening als gift in aftrek in zijn aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur wees deze aftrek af en het hof oordeelde dat het afzien van rente gelijkgesteld moest worden met een schenking van rentetermijnen die pas na het schenkingsmoment rijpen, waardoor de aftrek werd beperkt.
De Hoge Raad stelt dat de wettelijke uitsluiting van aftrek voor giften in de vorm van termijnen van renten van schuldvorderingen die na het tijdstip van schenking rijpen, niet zonder meer van toepassing is op het afzien van rente bij een renteloze lening. Het hof had deze uitsluiting analoog toegepast, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze analogie niet gerechtvaardigd is omdat de wetsgeschiedenis en ratio van de regeling dit niet ondersteunen.
De Hoge Raad benadrukt dat de giftenaftrek een instrumentele regeling is die bedoeld is om instellingen van algemeen nut te ondersteunen en dat een ruime interpretatie van het begrip gift passend is. De aftrek dient te worden toegestaan voor de contante waarde van de lening op het moment van terbeschikkingstelling, zonder temporisering. De uitspraak van het hof en de inspecteur worden vernietigd en de aanslag wordt verminderd tot het door belanghebbende opgegeven bedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en vermindert de aanslag tot het door belanghebbende opgegeven bedrag van de contante waarde van de renteloze lening.