Conclusie
eerste middelkomt op tegen de wijze waarop het hof in de aanvulling op het arrest de bewijsmiddelen heeft uitgewerkt, namelijk door de tekst van de betreffende verklaringen van getuigen en deskundigen en de processen-verbaal te kopiëren en daarin de niet relevante passages weg te strepen, maar zodanig dat de weggestreepte passages wel leesbaar zijn.
tweede middelricht zich tegen de bewijsvoering. Het hof zou de met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen verenigbare maar met de bewezenverklaring strijdige mogelijkheid hebben opengelaten dat het slachtoffer [slachtoffer] niet is overleden tengevolge van de schoppen en de krachtige slag tegen het hoofd. Kennelijk doelt de steller van het middel op een zogenaamd ‘Meer-en-Vaart-gat’ in de bewijsconstructie.
derde middelwordt erover geklaagd dat het hof voor het bewijs én voor de weerlegging van het beroep op noodweer uitsluitend gebruik heeft gemaakt van verklaringen van getuigen die verklaarden dat verzoeker meermalen hard tegen het hoofd van het slachtoffer had geschopt, zonder gemotiveerd in te gaan op het verweer dat deze verklaringen in het licht van de verklaringen van de patholoog-anatoom niet waar
kondenzijn.
interpretatievan dat rapport. Uit het sectierapport (door het hof als bewijsmiddel 6 gebezigd) en de door [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring (bewijsmiddel 11) kan immers geenszins, laat staan ‘’onomstotelijk’’, volgen dat het letsel niet door harde schoppen zou kunnen zijn veroorzaakt. Sterker nog: [betrokkene 1] heeft in zijn sectieverslag opgenomen dat de ‘’zeer ernstige afwijkingen’’ aan de hersenen van het slachtoffer, die uiteindelijk voor het intreden van de dood hebben gezorgd, ‘’zijn opgeleverd door inwerking van hevig botsend uitwendig mechanisch geweld ter plaatse van de linkerzijde van het achterhoofd, zoals bijvoorbeeld een (zeer harde) trap.’’
vierde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd een beroep op noodweer(exces) heeft verworpen.
waartegen verdediging noodzakelijk was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat van het slachtoffer geen gevaar meer uitging, ook niet in de feitelijke luchtplaatssituatie: verzoeker was inmiddels duidelijk de meerdere gebleken van het slachtoffer: dat lag op de grond toen de trappen volgden, en was na die trappen tegen zijn hoofd dizzy (bewijsmiddel 9) of wankelend (bewijsmiddel 10) opgestaan, toen verzoeker de finale – en naar mijn inschatting fatale – linkse hoek uitdeelde, waardoor het slachtoffer met zijn hoofd op het beton sloeg.
noodzaakvan de verdediging en zijn derhalve, zoals ook het hof zelf heeft onderkend, slechts ten overvloede gegeven.