ECLI:NL:PHR:2003:AF3288
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering aftrek lijfrentepremie bij overdracht onderneming aan eigen BV gevolgd door overdracht aan derde
Belanghebbende X en A exploiteerden samen een vennootschap onder firma die vanwege teruglopende omzet werd beëindigd. X droeg zijn aandeel in de vennootschap over aan een eigen BV, B B.V., waarbij een lijfrente werd bedongen als tegenprestatie. Kort daarna droeg B B.V. de onderneming over aan A.
De Inspecteur weigerde de aftrek van de lijfrentepremie omdat niet voldaan was aan de wettelijke eisen dat de lijfrente moest worden bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan het lichaam dat de lijfrente verstrekt. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de overdracht aan A reeds vóór de inbreng in B B.V. was overeengekomen, waardoor geen sprake was van een rechtmatige lijfrenteaftrek.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatieklachten. De Hoge Raad benadrukte dat artikel 45, lid 5, onderdeel a, onder 2, Wet IB 1964 beoogt premies aftrekbaar te stellen die zijn betaald aan een opvolgend ondernemer en dat overdracht aan een eigen BV gevolgd door een vooraf overeengekomen overdracht aan een derde niet als zodanig kan worden aangemerkt.
De uitspraak bevat een uitgebreide bespreking van relevante wetsartikelen, beleidsregels en eerdere jurisprudentie, waaronder arresten over de geruisloze omzetting en de voorwaarden voor aftrek van lijfrentepremies. De Hoge Raad bevestigt dat de overdracht onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming en dat daardoor de aftrek wordt uitgesloten.
De conclusie van de Procureur-generaal en de Hoge Raad is dat het beroep ongegrond is en dat de aftrek van lijfrentepremies in dergelijke gevallen terecht wordt geweigerd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aftrek van lijfrentepremies wordt geweigerd.