ECLI:NL:PHR:2003:AF3334
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vergunningsplicht milieubeheer ondanks verboden hennepteelt
In deze zaak is verzoeker door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het zonder vergunning oprichten van een inrichting als bedoeld in categorie 9, sub 1 f van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Het betrof een kwekerij op een perceel waar hennep werd geteeld.
Verzoeker voerde in hoger beroep aan dat de kwekerij geen inrichting in de zin van het Besluit was, omdat het slechts een growshop zou betreffen, en dat hennep als tuinbouwproduct niet onder landbouwproducten viel zoals bedoeld in het Besluit. Het hof verwierp deze argumenten op basis van de feiten en de Nota van Toelichting bij het Besluit.
Daarnaast stelde verzoeker dat hij wegens het verbod op hennepteelt onder de Opiumwet niet kon worden veroordeeld voor het ontbreken van een milieuvergunning, omdat een vergunning nooit zou worden verleend. Dit verweer verwierp het hof en bevestigde de vergunningsplicht, ook al zou een vergunning waarschijnlijk niet worden verleend.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat niet was uitgesloten dat een vergunning voor het oprichten van een kwekerij zou zijn verleend, zonder zich uit te spreken over de mogelijkheid van een vergunning voor een hennepkwekerij. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het nemo tenetur-beginsel niet meebrengt dat een vergunningplichtige kan worden ontslagen van de verplichting een vergunning aan te vragen, ook niet als dit zou betekenen dat hij strafbare feiten bekendmaakt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van verzoeker voor het zonder vergunning oprichten van een inrichting in strijd met de Wet milieubeheer.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor het zonder vergunning oprichten van een inrichting in strijd met de Wet milieubeheer.