ECLI:NL:PHR:2003:AF3418
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek lijfrentepremie bij overdracht onderneming aan eigen BV gevolgd door verkoop aan derde
Belanghebbende, X, droeg zijn onderneming over aan een eigen BV, waarbij hij een lijfrente bedong. Kort daarna verkocht de BV de onderneming aan een derde. De Inspecteur weigerde de aftrek van de lijfrentepremie, wat door het Hof Leeuwarden werd bevestigd. Het Hof oordeelde dat geen sprake was van een overdracht aan een opvolgend ondernemer zoals bedoeld in artikel 45, lid 5, onderdeel a, onder 2º, Wet IB 1964.
In cassatie stelde belanghebbende dat hij zich al had verbonden tot oprichting van de BV voordat het voornemen tot verkoop aan de derde bestond. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de overdracht aan een eigen BV gevolgd door een vooraf overeengekomen verkoop aan een derde niet kwalificeert als overdracht aan een opvolgend ondernemer.
De uitspraak sluit aan bij eerdere arresten waarin is bepaald dat de geruisloze overgang niet van toepassing is indien de inbreng onderdeel is van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming. De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever de aftrekbaarheid van lijfrentepremies aan eigen lichamen wilde beperken en alleen premies aan opvolgende ondernemers wil erkennen.
De conclusie is dat de fiscale faciliteiten niet gelden indien de overdracht aan de eigen BV slechts een tussenstap is in een vooraf geplande overdracht aan een derde, ook als de verkoop aan die derde pas na de inbreng plaatsvindt. Dit voorkomt misbruik van fiscale regelingen en waarborgt de doelstelling van de wet.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aftrek van de lijfrentepremie wordt geweigerd.