ECLI:NL:PHR:2003:AF4151
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over navorderingsaanslag en belastingverdrag inzake nabetalingen na uittreden uit maatschap
Deze zaak betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage dat een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en beschikking heffingsrente ten laste van wijlen X, vertegenwoordigd door zijn erfgenamen, heeft vernietigd.
Belanghebbende was vennoot in de maatschap H en trad in 1984 uit. Hij ontving in latere jaren nabetalingen van zijn aandeel in dubieuze vorderingen die hij in zijn aangifte op nihil had gewaardeerd. Het Hof oordeelde dat deze vorderingen tot het ondernemingsvermogen bleven behoren en dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim beging door geen nader onderzoek te doen, terwijl geen sprake was van kwade trouw bij belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigt dat het ambtelijk verzuim aan de Inspecteur moet worden toegerekend en dat belanghebbende gerechtvaardigd mocht aannemen dat de belastingaangelegenheden gecoördineerd werden behandeld. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de nabetalingen ondernemingsvermogen vormen en dat het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten geen heffingsrecht aan de VS toekent over deze nabetalingen, zodat Nederland deze mag belasten.
De klachten van de Staatssecretaris over het ontbreken van kwade trouw en de toepassing van het bijzonder tarief en heffingsrente worden verworpen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de navorderingsaanslag vernietigd wordt wegens ambtelijk verzuim zonder kwade trouw van belanghebbende.