ECLI:NL:PHR:2003:AF4265
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid curator tot voeging in strafproces voor schadevergoeding wegens bedrieglijke bankbreuk
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de curator van een failliete vennootschap zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen om schadevergoeding te vorderen voor de gezamenlijke schuldeisers. De verdachte was door het hof veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk en medeplegen van valsheid in geschrift, waarbij hij als feitelijk leidinggevende van de vennootschap handelde.
De curator had zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding wegens onttrekking van baten aan de failliete boedel door de verdachte. Het hof oordeelde dat de curator als wettelijke vertegenwoordiger van de failliete vennootschap bevoegd is om zich te voegen en dat de vordering voldoende eenvoudig van aard was om in het strafproces te worden behandeld.
De verdediging voerde onder meer aan dat de curator niet als benadeelde partij kon optreden en dat de vordering niet toelaatbaar was, maar de Hoge Raad verwierp deze grieven. De Hoge Raad bevestigde dat de curator, als vertegenwoordiger van de failliete boedel, gerechtigd is zich te voegen en dat de vordering terecht door het hof was toegewezen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte en de bevoegdheid van de curator tot voeging voor schadevergoeding.