ECLI:NL:PHR:2003:AF5235
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens termijnoverschrijding
In deze zaak heeft het Gerechtshof te Arnhem de verdachte bij arrest van 31 augustus 2001 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens meerdere verkrachtingen. Tevens werd een schadevergoeding van 5.000 gulden aan een benadeelde toegewezen, terwijl andere benadeelden niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen.
De verdachte heeft namens zijn raadsman op 26 september 2002 een schriftuur met een cassatiemiddel ingediend bij de Hoge Raad. Dit middel werd echter op 12 februari 2003 ingetrokken door dezelfde raadsman. Hierdoor heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met cassatiemiddelen ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Als gevolg hiervan kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.