ECLI:NL:HR:2003:AF5235
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep na intrekking middel door verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2001. Verdachte heeft via zijn raadsman een middel van cassatie ingediend bij de Hoge Raad binnen de wettelijke termijn. Vervolgens heeft dezelfde raadsman het ingediende middel ingetrokken, waardoor er geen middel meer resteert om te behandelen.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt dit standpunt en verwijst naar de wettelijke bepaling in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en eerdere jurisprudentie. Omdat het middel is ingetrokken, kan het beroep niet ontvankelijk worden verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 15 april 2003. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens intrekking van het middel.