ECLI:NL:PHR:2003:AF5555
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verschil en samenloop tussen terbeschikkingstelling en voorlopige machtiging Wet Bopz
Deze zaak betreft de vraag of een strafrechtelijke terbeschikkingstelling (t.b.s.) een voorlopige machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) in de weg staat. De betrokkene was ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege en de officier van justitie had een vordering tot verlenging van de t.b.s. ingediend. Tegelijkertijd werd een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz aangevraagd.
De rechtbank verleende een voorlopige machtiging maar wees de verlenging van de t.b.s. af, waarna de officier van justitie cassatieberoep instelde. De Hoge Raad bespreekt uitgebreid het verschil tussen de t.b.s. en de Wet Bopz, waarbij de t.b.s. een strafrechtelijke maatregel is gekoppeld aan een strafbaar feit, terwijl de Wet Bopz een civielrechtelijke maatregel betreft zonder koppeling aan een strafbaar feit.
De Hoge Raad stelt dat er geen absolute belemmering bestaat voor het verlenen van een voorlopige machtiging zolang een t.b.s. loopt, maar dat de Bopz-rechter zich in beginsel onthoudt van het verlenen van een machtiging zolang een t.b.s. met verpleging loopt, om doorkruising van de strafrechterlijke beslissing te voorkomen. Ook wordt besproken dat bij een t.b.s. zonder verpleging of met voorwaardelijke beëindiging de situatie complexer is.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het hof van het ressort voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het hof voor verdere beoordeling van de voorlopige machtiging naast de lopende t.b.s.