ECLI:NL:PHR:2003:AF6606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering recht van overpad wegens onbekendheid en gebrek aan kenbaarheid
Eiser kocht in 1995 een woning binnen een woonblok waarbij andere bewoners een recht van overpad hadden via een achter- en zijpad, maar dit recht was niet vastgelegd ten behoeve van zijn perceel. Eiser vorderde dat zijn buren medewerking zouden verlenen aan het alsnog vestigen van dit recht van overpad. De buren weigerden dit en stelden dat zij koper te goeder trouw waren en geen kennis hadden van een dergelijk recht ten gunste van eiser.
De rechtbank en het hof wezen de vordering af, stellende dat de buren niet hoefden te weten van een recht van overpad voor eiser en dat eiser geen spoedeisend belang had. Eiser stelde in cassatie dat de notaris verzuimd had het recht van overpad ten behoeve van zijn perceel op te nemen en dat dit recht reeds bestond voordat hij zijn kavel kocht.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de buren op de hoogte waren of behoefden te zijn van een aanspraak van eiser op een recht van overpad. Ook een eventuele fout van de notaris brengt niet mee dat de weigering van buren onrechtmatig is. De klacht van eiser faalt, en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De vordering tot medewerking aan de vestiging van een recht van overpad wordt afgewezen omdat de buren niet bekend waren met het recht en dit ook niet behoefden te zijn.