ECLI:NL:PHR:2003:AF7921
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid tewerkstellingsvergunningen in de Rijnvaart ondanks vermeende verdragsconflicten
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse Wet arbeid vreemdelingen (Wav), met name de verplichting tot het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning voor vreemdelingen, in strijd is met internationale verdragen die de vrije vaart op de Rijn waarborgen, zoals de Herziene Rijnvaartakte en het Verdrag van Versailles.
De verdachte, exploitant van een Rijnvaartschip, werd door het Gerechtshof veroordeeld wegens overtreding van art. 2, eerste lid, Wav. Zij voerde onder meer aan dat de vergunningplicht een belemmering vormt voor de vrije scheepvaart op de Rijn en dat de Wav niet verenigbaar is met de genoemde verdragen en het EG-Verdrag.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. Hij stelde dat de Wav en de vergunningplicht geen directe inbreuk maken op de vrije vaart, omdat deze regeling slechts zijdelings de voorwaarden voor de vaart beïnvloedt en binnen de sociale wetgeving valt. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de Wav geen maatregelen van gelijke werking bevat in de zin van art. 28 en Pro 29 EG-Verdrag en dat het beroep op overmacht onvoldoende was onderbouwd.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitspraak van het Hof en verklaarde het beroep van de verdachte ongegrond, waarmee de geldboete van drieduizend gulden in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Wet arbeid vreemdelingen niet in strijd is met internationale verdragen en handhaaft de geldboete voor overtreding van de vergunningplicht.