ECLI:NL:HR:2003:AF7921
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid tewerkstellingsvergunningplicht voor vreemdelingen in Rijnvaart ondanks beroep op vrije scheepvaart
De zaak betreft een vennootschap die op 19 juni 1999 een Tsjechische vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid liet verrichten aan boord van een Rijnvaartschip in Nederland. De vennootschap werd daarvoor veroordeeld wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). In cassatie stelde zij onder meer dat de Wav in strijd was met het beginsel van vrije scheepvaart op de Rijn en met diverse internationale verdragen, waaronder de Herziene Rijnvaartakte, het Verdrag van Versailles en het EG-verdrag.
De Hoge Raad oordeelde dat de Wav en de daarop gebaseerde besluiten geen maatregelen van gelijke werking zijn in de zin van de artikelen 28 en 29 EG-verdrag en dat de vergunningplicht niet in strijd is met het internationale recht. Het hof had terecht geoordeeld dat de Wav een noodzakelijke maatregel is ter regulering van de arbeidsmarkt en ter voorkoming van illegale tewerkstelling, en dat de vergunningplicht geen beletsel vormt voor de vrije scheepvaart op de Rijn in economische zin.
Voorts verwierp de Hoge Raad het beroep op overmacht, omdat de vennootschap onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij alle redelijke inspanningen had verricht om prioriteit-genietend arbeidsaanbod te werven. Ook het beroep op andere verdragen en het beginsel van vrije doorvoer faalde. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens overtreding tewerkstellingsvergunningplicht aan boord Rijnvaartschip.