ECLI:NL:PHR:2003:AF7938
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over functioneel daderschap en aansprakelijkheid rechtspersoon bij gebruik niet-emissie-arme dierlijke meststoffen
In deze zaak stond de vraag centraal of een rechtspersoon als functioneel dader kan worden aangemerkt voor het gebruik van niet-emissie-arme dierlijke meststoffen op door haar beheerde grond. Het hof had de verdachte veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift krachtens de Wet bodembescherming, omdat zij naliet te voorkomen dat derden de mest op haar landerijen gebruikten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte het gebruik van de meststoffen aanvaardde of dat zij daarover beschikkingsmacht had. Hoewel de beheerster verplicht is om toezicht te houden, was niet vastgesteld dat zij aanwijzingen had dat het verboden gebruik plaatsvond en dat zij dit aanvaardde. Het hof had bovendien niet kunnen vaststellen wie de fysieke dader was.
De Hoge Raad benadrukte het belang van het leerstuk van functioneel daderschap en stelde dat voor toerekening aan de rechtspersoon moet worden bewezen dat zij het gebruik aanvaardde, wat impliceert dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Omdat het bewijs hiervoor ontbrak, werd het arrest vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van aanvaarding van het verboden gebruik door de verdachte, en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.