ECLI:NL:PHR:2003:AG2067
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid negeren aanwijzingen Wet bodembescherming
In deze zaak stond de vraag centraal of aanwijzingen van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 27 van Pro de Wet bodembescherming als voorschriften in de zin van artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED) kunnen worden beschouwd. Verdachte werd door het Gerechtshof veroordeeld wegens het niet naleven van dergelijke aanwijzingen, die betrekking hadden op het saneren van met minerale olie verontreinigde grond.
Verdachte voerde in cassatie aan dat deze aanwijzingen niet als voorschriften konden worden aangemerkt, omdat het ging om concrete aanwijzingen voor een specifiek geval en niet om algemene regelgeving. De Hoge Raad overwoog echter dat de wetgever met verwijzing naar artikel 1a WED ook concrete aanwijzingen als voorschriften heeft bedoeld, zodat het negeren daarvan strafbaar is.
Het Hof had bewezen verklaard dat verdachte de verontreinigde grond niet tijdig had bemonsterd en afgevoerd zoals door Gedeputeerde Staten was opgedragen. De Hoge Raad vond de uitleg van het Hof over het begrip 'afronden van de grondsanering' niet onbegrijpelijk en liet deze beoordeling in stand. Het beroep van verdachte werd verworpen, waarmee de veroordeling tot een geldboete gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens het opzettelijk negeren van aanwijzingen van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 27 Wet bodembescherming.