ECLI:NL:PHR:2003:AH9616
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige terbeschikkingstelling en valsheid brief
Eiser werd in 1968 veroordeeld tot onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling (t.b.r.) wegens doodslag. Na zijn vrijlating vorderde hij schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige psychiatrische dwangverpleging en gewekte verwachtingen van financiële genoegdoening. De Staat verweerde zich onder meer met verjaring en betwistte de authenticiteit van een brief uit 1982 die een vergoeding afwees.
De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring en gegrondheid van de brief. Het hof bevestigde dit en oordeelde dat de brief niet vals was verklaard, ondanks getuigenverklaringen die twijfel zaaiden. Het hof vond dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor valsheid of bedrog en dat zijn bewijsaanbod onvoldoende was gespecificeerd.
De Hoge Raad concludeert dat het hof de waardering van het bewijs en de toepassing van de wettelijke regels correct heeft uitgevoerd. De klachten van eiser over de bewijswaardering, stelplicht en de interpretatie van de brief falen. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de eerdere afwijzingen in stand blijven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de afwijzing van de schadevergoeding blijft in stand.