ECLI:NL:PHR:2003:AI0289
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid derden voor loonbelasting- en premieschulden en verjaring volgens Invorderingswet 1990
In deze zaak staat centraal de vraag of de aanspraken van de Belastingdienst op loonbelasting- en premieschulden waarvoor derden hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld, zijn verjaard volgens de Invorderingswet 1990. Gedurende 1984-1987 verrichtte het Agrarisch loonbedrijf werkzaamheden waarbij personeel werd ingeleend. Over de jaren 1986 en 1987 zijn aanslagen opgelegd aan zowel de onderneming als de uitlener, die niet zijn voldaan.
De ontvanger stelde de eisers, als derden, hoofdelijk aansprakelijk voor deze belastingschulden. De eisers betwistten tijdig deze aansprakelijkheid en maakten bezwaar tegen de aanslagen. De rechtbank verklaarde hen aansprakelijk, waarna hoger beroep volgde met als kernverweer dat de aanspraken verjaard zouden zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van drie jaar onder de oude Invorderingswet 1845 werd verlengd tot vijf jaar onder de Invorderingswet 1990, waarbij stuiting plaatsvindt door betekening van een akte van vervolging zoals een dwangbevel. De ontvanger had tijdig dwangbevelen betekend en een verklaringsprocedure gevoerd, waardoor de verjaring werd geschorst. De Hoge Raad verwierp het beroep van eisers en bevestigde de hoofdelijke aansprakelijkheid, waarbij de hoogte van de aanslagen wordt bepaald in de fiscale bezwaarprocedure.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van eisers voor de loonbelasting- en premieschulden en oordeelt dat de aanspraken niet zijn verjaard door tijdige stuiting.