ECLI:NL:PHR:2003:AI0291
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid en verjaring van loonbelasting- en premieschulden volgens Invorderingswet 1990
Deze zaak betreft de vraag of een aantal belastingaanslagen waarvoor eiser hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, inmiddels is verjaard. Gedurende 1984-1987 verrichtte het Agrarisch loonbedrijf werkzaamheden via eigen en uitgeleend personeel. Aan betrokkene 1 en bedrijf A werden aanslagen opgelegd, die niet zijn betaald, en eiser werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze schulden.
De rechtbank verklaarde eiser hoofdelijk aansprakelijk en het hof bevestigde dit, waarbij het beroep op verjaring door eiser grotendeels werd verworpen. Alleen voor twee aanslagen van 10 juli 1990 werd verjaring aangenomen. De Hoge Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar volgens de Invorderingswet 1990 geldt en dat dwangbevelen en procedures de verjaring stuiten of schorsen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser, bevestigde dat de verjaring van aanslagen jegens de belastingschuldigen bepalend is en dat de aansprakelijkheid van eiser volgt uit die aanslagen. Tevens werd bevestigd dat de fiscale bezwaarschriftprocedure de aansprakelijkheid niet uitsluit, maar de hoogte van de schuld kan worden betwist in die procedure.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij blijft hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting- en premieschulden van betrokkene 1 en bedrijf A.