ECLI:NL:HR:2003:AI0291
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonbelasting- en premieschulden bevestigd
In deze zaak vorderde de ontvanger van de Belastingdienst dat eiser hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de loonbelasting- en premieschulden van twee betrokkenen, ter hoogte van ƒ 32.297,-- vermeerderd met invorderingsrente. De rechtbank wees de vordering toe en verklaarde eiser hoofdelijk aansprakelijk. Eiser stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Het hof vernietigde het eindvonnis van de rechtbank en wees de gewijzigde vordering van de ontvanger opnieuw toe. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser voor de genoemde belastingschulden en veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 26 september 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser voor de loonbelasting- en premieschulden en wijst het cassatieberoep af.