ECLI:NL:PHR:2003:AI0347
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Opleggen belastingaanslag is geen instellen eis in hoofdzaak voor conservatoir beslag
De zaak betreft een geschil tussen de Ontvanger van de Belastingdienst en een onderneming over de vraag of het opleggen van een belastingaanslag kan worden aangemerkt als het instellen van een eis in de hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) oud. De Ontvanger had conservatoir beslag gelegd op teruggaven omzetbelasting, zonder binnen de gestelde termijn een eis in de hoofdzaak in te stellen. De verweerster betoogde dat het beslag daardoor nietig was.
De Hoge Raad bevestigt dat het opleggen van een belastingaanslag een administratiefrechtelijke handeling is en niet gelijkgesteld kan worden aan het instellen van een eis in de hoofdzaak. De eis in de hoofdzaak vereist een procedure waarbij een rechter ten gronde beslist over de deugdelijkheid van de vordering waarvoor het beslag is gelegd. Het opleggen van een aanslag voldoet hier niet aan, ook al leidt het uiteindelijk tot een executoriale titel.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een kort geding dat strekt tot een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling als eis in de hoofdzaak kan gelden, maar benadrukt dat dit niet geldt voor het opleggen van een aanslag. De strekking van het conservatoir beslag en de belangen van derden vereisen duidelijkheid over het tijdig instellen van een eis in de hoofdzaak. De mogelijkheid voor de Ontvanger om een dwangbevel te verkrijgen vervangt deze eis niet.
Uiteindelijk wordt het cassatieberoep van de Ontvanger verworpen, waarmee het arrest van het hof dat het beslag vervallen achtte wegens het ontbreken van een eis in de hoofdzaak, wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Ontvanger wordt verworpen; het opleggen van een belastingaanslag geldt niet als het instellen van een eis in de hoofdzaak, waardoor het conservatoir beslag vervalt.