ECLI:NL:PHR:2003:AI0367
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij ontbreken beroepsgronden in alimentatiezaak
De zaak betreft een geschil over de wijziging van een alimentatieverplichting na echtscheiding. De man verzocht de rechtbank om de alimentatiebetaling aan de vrouw stop te zetten vanaf het moment dat zij een functie bij de Nederlandse ambassade in Bangkok begon. De rechtbank wijzigde de beschikking en stelde de alimentatie op nihil vanaf die datum. De vrouw stelde hoger beroep in, maar het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat in haar beroepschrift de gronden van het hoger beroep ontbraken.
De vrouw voerde in cassatie aan dat zij wel degelijk twee grieven had ingediend, namelijk dat zij ten onrechte als partij zonder bekende verblijfplaats was aangemerkt en dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden. De Hoge Raad bevestigde dat het beroepschrift duidelijke gronden moet bevatten waarop het beroep berust en dat het ontbreken daarvan leidt tot niet-ontvankelijkheid. Hoewel uitzonderingen mogelijk zijn, waren die hier niet van toepassing.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof de zaak niet kon terugwijzen naar de rechtbank omdat het hoger beroep een devolutieve werking heeft en de zaak in zijn geheel aan het hof moet worden voorgelegd. De vrouw had de gelegenheid gehad om materiële gronden te formuleren, ook tijdens de zitting. Omdat zij dit niet heeft gedaan, ontbrak het belang bij het cassatieberoep en werd het verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken van duidelijke beroepsgronden.