ECLI:NL:PHR:2003:AL6161
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens medeplegen accijnsdelicten en valsheid in geschrift bij handel in rode gasolie
De zaak betreft een ondernemer die feitelijk bestuurder was van een onderneming die rode gasolie leverde aan de binnenscheepvaart zonder de verschuldigde accijns af te dragen en zonder de vereiste aangiften te doen. De onderneming beschikte niet over de benodigde vergunningen voor het voorhanden hebben van rode olie.
De bewezenverklaring omvat medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder de juiste heffing, het niet doen van aangiften die ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven, en het valselijk opmaken van bedrijfsadministratie met betrekking tot leveringen die feitelijk niet plaatsvonden. Bewijsmiddelen bestonden uit administratie, facturen, verklaringen van schippers en opsporingsambtenaren.
De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte slechts als tussenpersoon optrad en dat er een beleidslijn van de Belastingdienst was die bepaalde handelingen gedoogde. Deze verweren werden door het hof verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de aangifteplicht ontstaat bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen en dat de brieven van de Belastingdienst geen niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie rechtvaardigen.
Uiteindelijk werd verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen accijnsdelicten en valsheid in geschrift.