1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1).
(a) [Eiser] is met ingang van 1 januari 1978 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Philips en te werk gesteld als schade-expert bij de besloten vennootschap Taxatie- en Expertisebureau [A] B.V., destijds een 100% dochter van N.V. Philips Gloeilampenfabrieken. Eerder was [eiser] van 1 december 1951 tot 31 mei 1965 als accountant bij Philips in dienst geweest.
(b) In 1983 is tussen [eiser] en Philips een arbeidsconflict ontstaan.
(c) [Eiser], meermalen bijgestaan door een raadsman, en Philips - in de persoon van [betrokkene 1], hoofd personeelszaken - onderhandelden vervolgens over een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden, echter zonder resultaat. De onderhandelingen werden op 23 november 1983 door Philips afgebroken.
(d) Philips startte een ontbindingsprocedure en bij beschikking van de kantonrechter van 22 oktober 1984 werd de dienstbetrekking ontbonden onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding van fl. 200.000,- netto.
(e) Naar aanleiding van deze ontbindingsbeschikking onderhandelden [eiser] en Philips over de inhoud van het bedrag van fl. 200.000,- netto en sloten daarover in december 1984 een overeenkomst van dading. In de considerans daarvan wordt enerzijds verwezen naar de door de kantonrechter vastgestelde schadevergoeding, anderzijds naar de aanspraken welke [eiser] pretendeert in verband met een tweetal hem toegezegde extra pensioenvoorzieningen. In de akte van dading is onder meer opgenomen dat, zakelijk en samengevat weergegeven, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt gehandhaafd en dat Philips een bedrag van fl. 500.000,- bruto afstort ten behoeve van een periodieke uitkering aan [eiser]. Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting ter zake van alle tussen hen bestaande, c.q. bestaand hebbende rechtsbetrekkingen.
(f) Bij vonnis van 23 mei 1996 heeft de kantonrechter een vordering van [eiser] tegen Philips, strekkende tot toekenning aan [eiser] van vijf extra pensioenjaren alsmede de helft van het aantal pensioenjaren ter zake van eerder vermeld dienstverband van [eiser] bij Philips, afgewezen. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de kantonrechter op 21 november 1997 bekrachtigd. [Eiser] heeft geen beroep in cassatie ingesteld.
(g) Bij verzoekschrift van 3 juli 1998 heeft [eiser] een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Bij beschikking van 17 juli 1998 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen, welke beslissing bij beschikking van het hof 's-Hertogenbosch van 23 december 1998 is vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank het getuigenverhoor gelast. Het verhoor heeft op 31 maart 1999 plaatsgevonden. Bij gelegenheid van dit verhoor hebben [eiser] en [betrokkene 1] verklaringen afgelegd.