ECLI:NL:PHR:2003:AL8452
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van telefonische schennis van de eerbaarheid
In deze zaak heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte op 23 december 2000 telefonisch op een niet openbare plaats aan het slachtoffer ongewenste, seksuele uitlatingen heeft toegevoegd. De verdediging voerde aan dat art. 239 Sr Pro niet van toepassing zou zijn op telefonische uitlatingen en dat het slachtoffer niet werkelijk aanwezig was bij een oneerbare handeling.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip 'waarnemen' in art. 239 Sr Pro niet beperkt is tot zien of voelen, maar ook het horen van oneerbare handelingen omvat. De wetsgeschiedenis en jurisprudentie bieden geen aanknopingspunt om de toepassing van art. 239 Sr Pro te beperken tot zichtbare handelingen of fysieke aanwezigheid.
Verder wordt bevestigd dat schennis van de eerbaarheid niet beperkt is tot het tonen van het menselijk lichaam, maar ook kan bestaan uit aanstootgevende, plastische en aanschouwelijke omschrijvingen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het slachtoffer haars ondanks aanwezig was en dat de uitlatingen als schennis van de eerbaarheid moeten worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de veroordeling van verdachte voor schennis van de eerbaarheid via telefoon, waarmee het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het telefonisch toevoegen van seksuele uitlatingen strafbaar is als schennis van de eerbaarheid.