ECLI:NL:PHR:2003:AM2311
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid bij onttrekking van faillissementsboedel en bewijskracht van kwitanties
In deze zaak staat centraal of [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door een bedrag van DM 2.000.000 van de bankrekening van haar echtgenoot [betrokkene 1] op te nemen en niet aan de curator af te dragen. Het hof heeft geoordeeld dat dit bedrag tot de faillissementsboedel behoort en dat [eiseres] wist dat de financiële situatie precair was, waardoor haar handelen onrechtmatig jegens de schuldeisers was.
De Hoge Raad behandelt in cassatie onder meer de bewijskracht van twee kwitanties die [eiseres] overlegt ter onderbouwing van haar stelling dat zij het geld aan haar echtgenoot heeft gegeven. De kwitanties worden als onderhandse akten met dwingende bewijskracht beschouwd, waarbij de bewijslast voor onjuistheid bij de curator ligt. Het hof heeft geoordeeld dat de curator voldoende tegenbewijs heeft geleverd, en dat [eiseres] niet is geslaagd in haar tegenbewijs.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het feit dat het faillissement nog niet was aangevraagd of uitgesproken ten tijde van de opname niet relevant is voor de vraag of het bedrag tot de faillissementsboedel behoort. Ook het ontbreken van een rogatoire commissie om [betrokkene 1] in Duitsland te horen wordt niet als onrechtmatig beoordeeld. De middelen van [eiseres] worden verworpen, waardoor het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door DM 2.000.000 aan de faillissementsboedel te onttrekken en wijst de vordering van de curator toe.