ECLI:NL:PHR:2003:AN8261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering aan België ondanks eerdere ontoelaatbaarheid en vertrouwensbeginsel
De rechtbank te 's-Hertogenbosch verklaarde op 16 april 2003 de uitlevering van verzoeker aan België toelaatbaar. Verzoeker stelde drie cassatiemiddelen in tegen deze beslissing.
De eerste klacht betrof de vermeende ongenoegzaamheid van de stukken, met name de aanduiding van tijd en plaats van de feiten. De Hoge Raad oordeelde dat ook stukken van eerdere verzoeken mogen worden meegewogen en dat de feitomschrijving, hoewel bij benadering, voldoende nauwkeurig was. De tweede klacht betrof het vertrouwensbeginsel dat verzoeker meende te kunnen inroepen omdat de minister van Justitie eerder de uitlevering had geweigerd. Dit verweer werd verworpen, waarbij werd benadrukt dat vertrouwen gewekt door instanties in de uitleveringsprocedure geen afbreuk doet aan de behandeling van een nieuw verzoek.
De derde klacht betrof de vrees voor een flagrante schending van art. 6 EVRM Pro (fair trial). De Hoge Raad vond geen aanwijzingen dat de Belgische autoriteiten niet in staat of bereid zouden zijn een eerlijk proces te garanderen. Ook het verweer dat België geen rechtsmacht zou hebben werd verworpen, mede omdat dit niet tijdig was ingebracht.
Ten slotte stelde de Hoge Raad vast dat de uitspraak van de rechtbank niet voldeed aan de eis dat de feiten waarvoor uitlevering wordt toegestaan duidelijk moeten worden omschreven. De Hoge Raad herstelde dit door de uitlevering toe te staan voor de feiten zoals omschreven in het aanhoudingsmandaat en de brief van de onderzoeksrechter. Het beroep werd verder verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis wegens onvolledige feitomschrijving en verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de omschreven feiten, terwijl de overige middelen worden verworpen.