ECLI:NL:PHR:2004:AI0737
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat verhuur van onderneming geen omzetting is volgens artikel 18 Wet IB 1964
Belanghebbende, die sinds 1995 in de VS woont, dreef tot eind 1997 een detailhandelsonderneming in Nederland. Vanaf 1998 werd de onderneming verhuurd aan een derde via een huur-/pachtovereenkomst, waarna de onderneming in 1999 in een BV werd ingebracht. De Inspecteur weigerde toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964, omdat sprake was van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat de verhuur van de onderneming niet als onderneming drijven kon worden aangemerkt en dat de BV vanaf haar oprichting een andere positie innam dan belanghebbende. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiegrond, waarbij werd benadrukt dat verhuur niet leidt tot staking of overdracht van de onderneming en dat de verhuurder zijn ondernemersstatus behoudt zolang hij de onderneming niet overdraagt of liquideert.
De uitspraak verduidelijkt dat de verkrijger van een verhuurde onderneming geen ondernemersstatus verkrijgt en dat de toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964 niet mogelijk is indien de verhuurder niet als originair ondernemer kan worden aangemerkt. Het arrest bevestigt de vaste jurisprudentie dat verhuur leidt tot voortgezet ondernemerschap van de verhuurder, maar geen omzetting van de onderneming inhoudt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; verhuur van een onderneming is geen omzetting in de zin van artikel 18 Wet IB 1964.