ECLI:NL:PHR:2004:AM2914
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsgeldigheid ontslag statutair directeur ondanks discussie over toepasselijkheid art. 6 BBA
De zaak betreft het ontslag van [verweerder], statutair directeur van Central Buyers B.V. (CB), die na arbeidsongeschiktheid op 30 augustus 1999 zijn werkzaamheden hervatte en op 2 september 1999 op staande voet werd ontslagen wegens weigering een dienstbevel op te volgen. Het ontslag werd later bevestigd en aangezegd met een opzegtermijn wegens een ernstig verstoorde arbeidsrelatie.
[Verweerder] vorderde nietigverklaring van de ontslagbesluiten en een verklaring voor recht dat geen dringende reden voor ontslag bestond. De rechtbank verklaarde de eerste ontslagen nietig en oordeelde dat het ontslag van februari 2000 niet aan de eis van onverwijldheid voldeed. Het hof bekrachtigde het oordeel van de rechtbank met enkele nieuwe overwegingen.
In cassatie werd betoogd dat het ontslag van 29 februari 2000 als beëindiging van de arbeidsovereenkomst per die datum moest worden aangemerkt en dat het hof onjuist had geoordeeld over de toepasselijkheid van art. 6 BBA Pro, dat niet geldt voor statutair directeuren. De Hoge Raad bevestigt dat art. 6 BBA Pro niet van toepassing is op bestuurders van rechtspersonen en verklaart de klachten over het ontslagbesluit ongegrond, waarbij het hof een begrijpelijke uitleg aan de ontslagbrief heeft gegeven.
De Hoge Raad concludeert dat het middel slechts slaagt indien beide onderdelen over de uitleg van het ontslagbesluit gegrond worden bevonden, wat niet het geval is. Het arrest bevestigt de geldigheid van het ontslagbesluit en de motivering van het hof, ondanks de discussie over de bijzondere positie van bestuurders en de samenloop van arbeidsrechtelijke en statutaire rechtsverhoudingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt het oordeel van het hof dat het ontslagbesluit van 29 februari 2000 geldig is.