ECLI:NL:PHR:2004:AO1755
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid strafrechtelijk onderzoek na fiscaal controleonderzoek en verwerpt niet-ontvankelijkheid
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte strafbaar verklaard voor medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van onjuiste belastingaangifte, zonder strafoplegging. De verdediging stelde cassatiemiddelen aan tegen het oordeel van het hof, onder meer over de rechtmatigheid van het bewijs, de geheimhoudingsplicht van belastingambtenaren, en de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad bevestigt dat het overgangsproces van fiscaal controleonderzoek naar strafrechtelijk onderzoek in overeenstemming was met de geldende richtlijnen, en dat de instemming van het bestuur van 's Rijks belastingen met de vervolging geacht mag worden te zijn gegeven. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de geheimhoudingsplicht uit artikel 67 AWR Pro en het Voorschrift informatieverstrekking 1993 niet is geschonden, omdat informatieverstrekking aan de officier van justitie noodzakelijk is voor de strafrechtelijke afdoening.
Verder stelt de Hoge Raad dat de overschrijding van de redelijke termijn van zeven jaar en twee maanden niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, mede omdat de verdediging niet aan de vertraging heeft bijgedragen en het belang van de samenleving bij berechting zwaarwegend is. Ook het bewijs op basis van ongewaarmerkte kopieën van administratie wordt als toelaatbaar en betrouwbaar beoordeeld.
Ten slotte wijst de Hoge Raad het verzoek tot het horen van de officier van justitie als getuige af, omdat dit niet noodzakelijk is voor de verdediging. Alle cassatiemiddelen worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van het strafrechtelijk onderzoek en de bewijsvoering.