ECLI:NL:PHR:2004:AO1936

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/164HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet conflictenrecht erfopvolgingArt. 3 lid 1 Haags Verdrag Erfopvolging 1989Art. 225 RvArt. 226 RvArt. 227 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij toepassing Egyptisch erfrecht

In deze zaak heeft eiseres, weduwe en erfgenaam van betrokkene 1, een cassatieprocedure voortgezet na het overlijden van betrokkene 1 in Egypte. De procedure was geschorst vanwege het overlijden, waarna eiseres de voortzetting heeft aangevraagd.

De kernvraag betrof de toepasselijkheid van Egyptisch recht op de erfopvolging, aangezien betrokkene 1 de Egyptische nationaliteit bezat en zijn gewone verblijfplaats in Egypte had. Dit volgt uit artikel 1 van Pro de Wet conflictenrecht erfopvolging en artikel 3 lid 1 van Pro het Haags Verdrag Erfopvolging (1989).

De Hoge Raad stelde dat eiseres moet aantonen dat zij volgens Egyptisch recht (enig) erfgenaam is om ontvankelijk te zijn in cassatie. Omdat Egypte geen partij is bij het Haags Legalisatieverdrag (1961), moeten de bewijsstukken gelegaliseerd worden. De Hoge Raad besloot de beslissing aan te houden en eiseres de gelegenheid te geven de benodigde documenten te overleggen.

Uitkomst: Beslissing aangehouden om eiseres gelegenheid te geven bewijs te leveren van erfgenaamschap onder Egyptisch recht.

Conclusie

nr. C02/164HR
Mr. Hartkamp
zitting 16 januari 2004
Tussenconclusie inzake
[Eiseres] in haar hoedanigheid van weduwe en erfgenaam van [betrokkene 1]
tegen
[Verweerder]
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Bij exploot van 23 april 2002 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) beroep in cassatie ingesteld tegen een tussen hem en [verweerder] (hierna: [verweerder]) op 23 januari 2002 gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Nadat [betrokkene 1] op 16 januari 2003 in Egypte is overleden, is de cassatieprocedure geschorst.
Bij exploot van 17 april 2003 heeft [eiseres] (hierna: [eiseres]), wonende te Egypte, aangegeven dat zij als weduwe en erfgenaam van [betrokkene 1] de cassatieprocedure wenst te hervatten (art. 225-227 Rv). Daarbij heeft [eiseres] een uittreksel uit het overlijdensregister overgelegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] ten tijde van zijn overlijden de Egyptische nationaliteit bezat en zijn gewone verblijfplaats had in Egypte. Dit betekent dat de erfopvolging ingevolge art. 1 Wet Pro Conflictenrecht Erfopvolging jo art. 3 lid 1 van Pro het Haags Verdrag Erfopvolging (1989), beheerst wordt door Egyptisch recht. Met het oog op de ontvankelijkheid rijst daarmee de vraag of [eiseres] naar Egyptisch recht kan worden aangemerkt als (enig) erfgenaam. [Verweerder] heeft in zijn schriftelijke toelichting opgemerkt dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij (enig) erfgenaam van [betrokkene 1] is, en haar verzocht om passende bescheiden over te leggen waaruit dit zou blijken.
Conclusie
Bij deze stand van zaken concludeer ik dat de Hoge Raad, met aanhouding van iedere beslissing, [eiseres] in de gelegenheid zal stellen om door middel van (gelegaliseerde(1)) bescheiden, zoals een verklaring van erfrecht, aan te tonen dat zij naar het hier toepasselijke Egyptische recht (enig) erfgenaam is van [betrokkene 1].
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Nu Egypte geen Verdragsstaat is bij het Haags Legalisatieverdrag (1961), zijn de vereiste bescheiden niet vrijgesteld van legalisatie.