ECLI:NL:HR:2004:AO1936
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieprocedure na overlijden en bewijs erfgenaamschap volgens Egyptisch recht
In deze zaak heeft verweerder een procedure gestart tegen betrokkene 1 betreffende een koopovereenkomst en de verkrijging van een splitsingsvergunning voor een pand in Rijswijk. Betrokkene 1 werd veroordeeld door de rechtbank en het hof bekrachtigde dit vonnis. Betrokkene 1 stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
Na het overlijden van betrokkene 1 heeft eiseres, zijn weduwe en erfgenaam, de cassatieprocedure voortgezet. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van haar beroep en stelde vast dat eiseres niet had aangetoond dat zij enig erfgenaam was volgens het toepasselijke Egyptische recht, dat van toepassing is op de erfopvolging van betrokkene 1.
De Hoge Raad verwees naar het Haags Verdrag Erfopvolging en de Nederlandse wet op conflictenrecht erfopvolging, die bepalen dat Egyptisch recht van toepassing is. Daarom werd eiseres in de gelegenheid gesteld om door middel van gelegaliseerde bescheiden, zoals een verklaring van erfrecht, aan te tonen dat zij enig erfgenaam is. De zaak werd aangehouden tot 25 juni 2004 om deze stukken te kunnen overleggen.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en stelt eiseres in de gelegenheid bewijs te leveren van haar erfgenaamschap volgens Egyptisch recht.