ECLI:NL:PHR:2004:AO3669
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van artikel 510 Sv bij transacties aan rechterlijke ambtenaren
In deze zaak heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of het Openbaar Ministerie verplicht is een verzoek ex artikel 510 Sv Pro in te dienen bij het aanbieden van een transactie aan een rechterlijk ambtenaar. De zaak ontstond nadat tegen een rechterlijk ambtenaar een verdenking ontstond van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, waarna het OM voornemens was een transactie aan te bieden.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 510 Sv Pro is bedoeld om de onpartijdigheid en integriteit van de strafrechtspleging te waarborgen door te voorkomen dat rechterlijke ambtenaren worden vervolgd door hun eigen gerecht. Dit artikel is echter alleen van toepassing indien het OM voornemens is tot daadwerkelijke vervolging over te gaan. Het aanbieden van een transactie of het seponeren van een zaak valt niet onder het begrip vervolging in de zin van artikel 510 Sv Pro.
De Hoge Raad concludeert dat het OM bevoegd blijft om transacties aan te bieden en sepotbeslissingen te nemen, ook indien het gaat om rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het eigen gerecht. Wel wordt aanbevolen dat het OM in dergelijke gevallen terughoudendheid betracht en waar mogelijk een parket bij een ander gerecht aanwijst om de schijn van bevoordeling te vermijden.
Het verzoek om op grond van artikel 510 Sv Pro een ander gerecht aan te wijzen voor de afdoening van de zaak wordt daarom afgewezen, omdat het OM niet voornemens is tot vervolging over te gaan. De uitspraak bevestigt dat artikel 510 Sv Pro niet ziet op beslissingen van het OM omtrent sepot of transactie, maar uitsluitend op daadwerkelijke vervolging en berechting.
Uitkomst: Het verzoek om een ander gerecht aan te wijzen op grond van artikel 510 Sv wordt afgewezen omdat het OM niet voornemens is tot vervolging over te gaan.