ECLI:NL:HR:2004:AO3669

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02468/03 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 510 SvArt. 74 SrArt. 7 WVW 1994Art. 176 WVW 1994Art. 178 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing ander gerecht bij vervolging rechterlijk ambtenaar ter voorkoming schijn van bevoordeling

Tegen de betrokkene, een rechterlijk ambtenaar, ontstond op 20 maart 2003 verdenking van een strafbaar feit op grond van verkeerswetgeving. Het bevoegde parket achtte een transactie passend ter voorkoming van strafvervolging.

De kern van de zaak betrof de uitleg en toepassing van art. 510 Sv Pro, dat waarborgt dat rechterlijk ambtenaren bij vervolging niet de schijn van bevoordeling of benadeling krijgen. Dit geldt zowel voor vervolging als voor het aanbieden van een transactie. Het OM moet daarom een verzoek indienen tot aanwijzing van een ander gerecht wanneer een rechterlijk ambtenaar als verdachte wordt aangemerkt, zodat een onafhankelijke instantie beslist over de vervolging.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht vatbaar is en wees de rechtbank Utrecht aan voor de vervolging en berechting van de betrokkene. Hiermee wordt de integriteit van het strafproces gewaarborgd en het vertrouwen in de rechtspraak beschermd.

Uitkomst: De Hoge Raad wees de rechtbank Utrecht aan voor vervolging van de rechterlijk ambtenaar om de schijn van bevoordeling te vermijden.

Uitspraak

17 februari 2004
Strafkamer
nr. 02468/03 B
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie bij de Rechtbank te Leeuwarden van 22 augustus 2003 tot aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in art. 510, eerste lid, Sv in de strafzaak met nummer 040145/03 tegen:
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats].
1. Het verzoekschrift
De Hoofdofficier van Justitie heeft zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek een andere Rechtbank dan die in het ressort [...] aan te wijzen voor de vervolging en berechting van [betrokkene], hierna "de betrokkene".
2. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht zal afwijzen.
3. Beoordeling van het verzoekschrift
3.1. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt het volgende:
a. Tegen de betrokkene is op 20 maart 2003 de verdenking ontstaan dat hij zich in de gemeente [...] heeft schuldig gemaakt aan het strafbaar feit als voorzien bij art. 7, eerste lid aanhef en onder a, en als misdrijf strafbaar gesteld bij art. 176, derde lid, in verbinding met art. 178, eerste lid, WVW 1994.
b. Het ter zake bevoegde Arrondissementsparket te [...] is van oordeel dat er grond is de betrokkene op de voet van de te dezen toepasselijke OM-richtlijnen een transactie als bedoeld in art. 74 Sr Pro aan te bieden ter voorkoming van strafvervolging wegens dit misdrijf.
c. De betrokkene was op 20 maart 2003 [functie] [+] [gerecht].
3.2. De strekking van art. 510 Sv Pro is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden (vgl. HR 14 april 1998, DD 98.276). De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om - in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een redelijke verdenking van een strafbaar feit is gerezen - al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid hetzij die ambtenaar (voorwaardelijk) niet te vervolgen, hetzij hem de gelegenheid te bieden strafvervolging te voorkomen door voldoening aan daartoe op de voet van art. 74 Sr Pro gestelde voorwaarden.
Gelet daarop moet art. 510 Sv Pro aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen in het geval dat naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak.
3.3. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek vatbaar is voor toewijzing en dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de Rechtbank te Utrecht aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank zulks nodig oordeelt, de vervolging en berechting der zaak zullen plaatshebben.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2004.