ECLI:NL:PHR:2004:AO4045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen dubbele bestraffing bij aansprakelijkheid bestuurder en strafvervolging
In deze zaak werd verdachte, bestuurder van een BV, strafrechtelijk veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het niet opgeven van loon aan het GAK over de jaren 1994-1995. Tegelijkertijd was hij in een bestuursrechtelijke procedure aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde premies werknemersverzekeringen, een procedure die nog niet onherroepelijk was.
Verdachte voerde onder meer aan dat de strafvervolging niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en wegens dubbele bestraffing, omdat hij reeds een boete van het GAK had ontvangen. Deze verweren werden door het hof en later door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de bestuursrechtelijke aansprakelijkstelling geen strafrechtelijke vervolging belemmert, zeker niet zolang die niet onherroepelijk is.
Verder werd het verweer dat getuigen niet waren gehoord en dat stukken uit de administratie van de BV niet volledig aan de verdediging waren verstrekt, onderzocht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende motivering had gegeven voor het gebruik van de getuigenverklaringen en dat de verdediging niet was benadeeld door het ontbreken van bepaalde stukken.
Ten slotte werd de strafoplegging, een geldboete van €500,-, bevestigd ondanks de overschrijding van de redelijke termijn, omdat het hof de ernst van het feit zwaarder woog dan het belang van niet-vervolging. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €500,- wegens feitelijk leidinggeven aan het niet opgeven van loon, ondanks lopende bestuursrechtelijke aansprakelijkstelling en overschrijding van de redelijke termijn.