ECLI:NL:PHR:2004:AO5710
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van belaging bij stelselmatige inbreuk op persoonlijke levenssfeer
In deze zaak werd verzoeker veroordeeld voor belaging ex art. 285b Sr wegens het stelselmatig en wederrechtelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer door haar langdurig te volgen, te observeren en zich in haar nabijheid op te houden.
De Hoge Raad oordeelde dat het recht op bewegingsvrijheid van verzoeker op grond van art. 2, eerste lid, Vierde Protocol EVRM niet onbeperkt is en dat gedragingen op de openbare weg strafbaar kunnen zijn indien zij een inbreuk vormen op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het stelselmatig en met het oogmerk dwingen of vrees aanjagen plaatsvinden van deze gedragingen strafbaar is.
De Hoge Raad ging uitgebreid in op de betekenis van de begrippen "persoonlijke levenssfeer", "stelselmatig" en "oogmerk" in de context van art. 285b Sr, waarbij werd bevestigd dat ook gedragingen buiten de woning en op de openbare weg onder deze strafbepaling kunnen vallen mits sprake is van een zekere mate van privacy en herhaaldelijke inbreuk.
Verder werd geoordeeld dat de bewijsmiddelen voldoende waren om het stelselmatige karakter en het oogmerk van verzoeker aan te tonen, en dat eerdere gedragingen vóór de inwerkingtreding van art. 285b Sr als ondersteunend bewijs konden dienen. Ook werd bevestigd dat art. 285b Sr zich onderscheidt van art. 284 Sr Pro en dat er geen sprake is van specialiteitsverhouding.
Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot een taakstraf en voorwaardelijke hechtenis werd gehandhaafd.
Uitkomst: Verzoeker is veroordeeld tot een taakstraf en voorwaardelijke hechtenis wegens belaging ex art. 285b Sr.