ECLI:NL:PHR:2004:AO5711
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens overschrijding redelijke termijn
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 22 januari 2002 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Utrecht van 30 maart 2000, waarbij zij was veroordeeld tot één week gevangenisstraf wegens diefstal.
De advocaat van de verdachte stelde cassatieberoep in met het middel dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, zowel in de periode tussen het instellen en behandelen van het hoger beroep als tussen het instellen en behandelen van het cassatieberoep.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dat de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep terecht was, waardoor het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk was geworden. Klachten over overschrijding van de redelijke termijn in de appèl- en cassatiefase kunnen na onherroepelijkheid van het vonnis niet meer met succes aan de Hoge Raad worden voorgelegd.
Dit voorkomt dat herhaaldelijk en onterecht instellen van rechtsmiddelen leidt tot strafvermindering vanwege vertraging in de rechtspraak. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het hof verklaarde de verdachte terecht niet-ontvankelijk in hoger beroep, waardoor het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk werd.