ECLI:NL:PHR:2004:AO5821
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van veroordeling voor ontucht met aan zorg toevertrouwde minderjarige
Verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld wegens meermalen ontucht plegen met een minderjarige die aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. De feiten betroffen onder meer het betasten, strelen en kussen van het slachtoffer, die vanwege persoonlijke problemen bij verdachte inwoonde en afhankelijk van hem was.
Verdediging voerde meerdere cassatiemiddelen aan, waaronder dat niet gedurende de gehele bewezenverklaarde periode sprake was van een zorg- of opleidingsrelatie en dat de bewezenverklaarde handelingen niet ontuchtig van aard zouden zijn. De Hoge Raad verwierp deze middelen en oordeelde dat het hof geen verkeerde rechtsopvatting had en voldoende had gemotiveerd.
Ook werd geklaagd over het ontbreken van een motivering omtrent de betrouwbaarheid van het slachtoffer en het niet ambtshalve oproepen van het slachtoffer als getuige. De Hoge Raad verwees naar vaste rechtspraak dat de rechter niet verplicht is zijn bewijsoordeel uitgebreid te motiveren en dat het hof terecht geen noodzaak zag voor een getuigenverhoor, mede omdat het slachtoffer reeds bij de rechter-commissaris was gehoord.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep verworpen moest worden, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor meermalen ontucht plegen met een minderjarige tot 180 uur werkstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis.