ECLI:NL:HR:2001:AD5390

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00362/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 240b SrArt. 247 SrArt. 359 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand · 18 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in ontuchtzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, waarin de verdachte werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens meermalen ontuchtige handelingen met minderjarige kinderen tussen 4 en 8 jaar.

De verdachte stelde in hoger beroep dat zijn handelingen niet als ontuchtig konden worden aangemerkt. Het hof verwierp dit verweer en motiveerde dat onvoldoende, maar dit leidde niet tot cassatie omdat het hof het oordeel baseerde op de bescherming van de seksuele integriteit van jonge kinderen en het grote leeftijdsverschil.

De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. De straf werd verminderd tot 16 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De overige middelen van cassatie werden verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf tot 16 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

11 december 2001
Strafkamer
nr. 00362/00
LR/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 september 1999, nummer 24-000837-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 6 augustus 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. en 2. "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd"
veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de ge-geven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr. G.W. Breuker, advocaat te Groningen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en deze nader zal vaststellen, met verwerping van het beroep van het overige.
3. Beoordeling van het tweede tot en met het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het vijfde middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in aanmerking genomen het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat het betasten door de verdachte niet als ontuchtige handeling in de zin van art. 247 Sr Pro kan worden beschouwd, niet zonder nadere motivering het desbetreffende onderdeel van de tenlastelegging bewezen kon verklaren, terwijl evenmin de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen redengevend zijn.
4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
1. "in de periode van 1 januari 1995 t/m 27 januari 1998,(...) meermalen met [betrokkene A] (...)(geboren op 22 september 1990 te Groningen), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van het (deels) ontblote lichaam en de penis van die [betrokkene A] (...) en het kijken naar en fotograferen van die geheel of deels ontklede [betrokkene A] (...) in een duidelijk seksueel getinte houding en met nadruk op de blote geslachtsdelen,"
en
2. "in de periode van 1 januari 1995 t/m 27 januari 1998, (...) meermalen met [betrokkene B] (...), geboren op 25 oktober 1990, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande uit het betasten van het ontblote lichaam van die [betrokkene B] (...) en het dulden van het betasten van die penis van verdachte door die [betrokkene B] (...) en het kijken naar en fotograferen van die geheel of deels ontklede [betrokkene B] (...) in een duidelijk seksueel getinte houding en met nadruk op de blote geslachtsdelen"
4.3. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 september 1999 onder meer
aangevoerd:
"De vraag is dan wat wel en wat niet ontuchtig is. Het is een gebied dat erg moeilijk te bepalen is. (...) De bedoelingen van [verdachte] zijn niet ontuchtig geweest. Het ontuchtig element in de telastelegging kan dan ook niet worden bewezen verklaard."
4.4. Dit verweer is niet van louter feitelijke aard. Daarin wordt tevens de rechtsvraag aan de orde gesteld of de handelingen die de verdachte heeft gepleegd ontuchtige handelingen in de zin van art. 247 Sr Pro zijn. Daarom had het Hof nader behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat die vraag bevestigend diende te worden beantwoord.
4.5. De omstandigheid dat het Hof niet een gemotiveerde beslissing op bedoeld verweer heeft gegeven, behoeft
echter niet tot cassatie te leiden. In aanmerking moet worden genomen dat art. 247 Sr Pro strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht worden niet of onvoldoende in staat te zijn. Tegen die achtergrond en gezien de aard van de in het middel bedoelde door de
verdachte gepleegde handelingen, de jeugdige leeftijd van de minderjarigen, die ten tijde van de door de verdachte gepleegde handelingen beiden tussen 4 en 8 jaar oud waren en het grote leeftijdsverschil met de verdachte- getuigt 's Hofs in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel dat de gepleegde handelingen "ontuchtige handelingen" waren, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
4.6. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
5. Beoordeling van het eerste middel
5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
5.2. De verdachte heeft op 30 september 1999 beroep in cassatie ingesteld.De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 18 september 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat die 16 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 11 december 2001.